kijk ook op pluusje.com
Laatste artikelen

Elke week koop ik een boek in een kleine winkel, omdat zíj daar werkt.
Ze draagt de mooiste kleding die ze van haar magere boekensalaris niet kan betalen. Eenvoudig, groen, zwart, zachte kleuren en stoffen, altijd rokjes en jurkjes. Als ik haar complimenteer kijkt ze me dankbaar aan, alsof ik de enige ben die het ziet.
Geruisloos stap ik steeds de bijna lege winkel binnen, ze is altijd ergens, achterin, of onverwacht dichtbij, ze glimlacht, ik weet niet of ze me herkent.
Deze week ben ik al geweest, ik bekeek een boek dat ze me aanraadde, een zwarte kaft met een groene eenvoudige schildering erop. 'Het schijnt heel mooi te zijn', zei ze, 'maar ik heb nog geen tijd gehad om het te lezen.' Ze zei het zo verontschuldigend dat ik het kocht. Het boek zit al dagen in mijn tas, als een vondst, een kado dat me groene en zwarte warmte geeft. Het zal nog een tijd duren voordat ik het ga lezen, want dan is de betovering voorbij, de woorden, de gedachtes van de schrijver zullen me teleurstellen.
Het is zes uur, het licht buiten is zacht schemerblauw, ik zet mijn fiets tegen de ruit van een andere boekenwinkel dat boeken met schilderijen verkoopt. Achter mij stapt een lange vrouw naar binnen, veel langer dan ik. Ik zie haar achterkant, een verfijnde suede jas in twee kleuren creme, in haar middel getailleerd door een bruine fijne gevlochten ceintuur. Ze stapt stevig, doelbewust, terwijl ik langs de tafels draal, boeken open, bladzijdes voel en proef, besluiteloos. Dan staan we tegenover elkaar, ze heeft haar lange bruine haren opgestoken zodat ze groter lijkt. Ze buigt over de boeken, over haar kleding, over mij, ze kijkt langs me, gehaast, schichtig, alsof ze elk moment betrapt kan worden. Het maakt haar nog mooier, in beide handen draagt ze een ouderwetse boodschappentas, rode streepjes en metalen handvaten, rond gebold, gevuld voor een reis misschien. Of voor een breiwerk, tien verschillende soorten wol in de kleur groen, kleding, vuile was? 'Hallo', glimlach ik. 'Hoi', zegt ze, snel en met zo weinig inhoud dat er wel veel inhoud móet zijn. Ze stapt weg, niet eerder zag ik hoe recht ze loopt, niet als een balletdanseres, maar als een vrouw, het hoofd van een groot huis, zoals vroeger, die de trappenpoetsers aanstuurde, die de dikke dames in de keuken opdracht gaf om op de markt verse thee te halen en sucadelappen.
Ik kijk in mijn tas, het boek is er nog, beetje gevouwen in een hoekje, maar nog hetzelfde. In een hoek van de winkel haal ik het uit mijn tas en glij over de kaft en knijp in het boek, het voelt fijn.


Reacties

Borsten groeien nooit tegelijk

 

De liefde is over en ik lees als verse vrijgezelle vrouw een oud boek aan een kleine tafel, goed voor 1 persoon.

De bediening heeft twee grote puisten op de kin; 1 al uitgeknepen, 1 nog geel. Zwart geverfde korte haren, plat tegen het hoofd gekamd, zodat er geen krul te zien was, maar boven haar oren sprongen ze toch omhoog, als narcissen in de winter. Ze droeg een grijs T-shirt en dito schort en ik heb echt geen idee of het een meisje of jongen is, wel dat hij of zij heel aardig is, stil, dienstbaar, zacht, lief en alles wat je maar kunt zijn om niet te moeten worden gekwetst.

De bediende zet een bord tomatensoep voor me maar vergeet de lepel, loopt de trap af naar de volgende klanten in de benedenzaal, ‘meneer’ roep ik snel. Het woord is te oud voor wat het is, maar het contact kort, dus het zal me niet kwalijk genomen worden. De bediende draait zich om, onzijdig, een leeg gezicht, zonder tranen, maar stil verdriet, en ik zeg: uh, sorry,… mevrouw?’ Nog steeds hetzelfde lege bleke gezicht dat bijna zonder te ademen, zonder te leven, naast me staat, als een bleke bloem. En ik kijk en kijk, maar ik kan het nog steeds niet zien, raak ervan in paniek, ‘sorrie, ik weet het niet’. Ik zwijg en de bediende zwijgt, nauwelijks 18 jaar, zeker 20 jaar jonger dan ik, maar ik weet dat ik verliefd kan worden op hem of haar. Al was het maar om hem of haar te troosten. ‘Ik wil graag een lepel.’ En ik probeer te glimlachen op mijn meest kwetsbare manier, hulpeloos, onzin, maar alles maakt het erger, want ze loopt snel weg, verdwijnt en een collega brengt glimlachend de lepel. Ik weet ineens dat het een meisje is.

Later als de soep op is en mijn boek verveelt, komt ze naast me staan, iets te dichtbij, om de bestelling van mijn buurvrouw op te nemen. Ze vergaf me. En ik wil haar liefkozen, haar hele kleine borsten strelen, uren naar haar kijken terwijl ze slaapt. Ik ben verliefd. Maar vergeet het na een uur alweer als ik naar huis fiets en me mee laat slepen door andere muziek.

Een week later ben ik in hetzelfde café. Ze herkent me zie ik, zij ziet me eerder dan ik haar en ze glimlacht. Zoals geliefdes in spé naar elkaar glimlachen, onrustig, maar opgelucht dat het leven doorgaat, dat de draad werd opgepakt, ook al was het gat in de naald klein geweest. Er staat nog een hele doos met naalden, een container, en die donderen we over elkaar heen om daar de draden in te kunnen proppen.

Ik bestel een thee en ze brengt die op een grijs rond dienblad, ze heeft weer twee puisten, maar op andere plekken.

 

Glimlachen, begrijpen, telefoonnummers, een sms, samen naar een ander café, adres, ze komt bij me thuis voor thee.

 

Op de bank. We vertellen elkaar beleefd over lagere school tot middelbare school, favoriete eten, ergenissen en dan onze angsten, de een nog kleiner dan de ander. Het zijn er veel, bergen met verschillende stukken modder van dezelfde soort, maar net weer anders, en net op een andere manier bekeken. Alles in grijs, lange lampen die even op de goede plek staan, maar waarvan de lichten wegsmelten, ‘ik zou een worm willen zijn’,  zegt ze: waar bijna iedereen een beetje bang van is, in ieder geval vies van is.’ 

Ik ben niet vies van haar. Het liefste zou ik haar nog meer puistjes geven en haar handen nog meer laten plakken, zodat ze bij mij blijft.

We praten en praten. Ook de volgende keren, we herhalen de angsten, hoe gaat het met je angsten?, beter, en die van jou?, ook soms, ja die van mij ook soms. En we blazen lucht in de berg met hele kleine rietjes en we drinken liters thee uit hele kleine kopjes en aangekoekte suiker. En we praten over lelijke landen met veel oorlog waar mannen gemarteld worden en vrouwen verkracht, over slechte adem, vieze kazen, poezen op internet, alles is nieuws, elke keer als we elkaar zien hebben we nieuws, en we sluiten af met het bespreken van dezelfde angsten.

Hoe meer we praten, hoe vaker we elkaar zien, hoe meer pijn ik in mijn buik krijg en zij ook. Maar we zeggen niets tegen elkaar, we praten verder.

En het doet pijn, ik buig me van de pijn en zij heeft ook pijn, ze knijpt hard in de rand van de tafel, zo pijn doet het, we kijken elkaar niet aan, maar praten door over nieuws en lekker eten en zijn in onze eigen pijnlijke wereld. De stoelen vormen onze pijn, de vormen van de stoelen zijn onze pijn, de naden in het hout, de imperfectie, de tekortkomingen. Ik zou willen dat ze schreeuwde dat ze pijn had, maar ze piept zachtjes, daar kan ik niet tegen op, tegen zo’n zachte piep. Deze ingehouden schreeuw is nog erger dan wanneer ze zou schelden over iets wat me niet aangaat en verveelt.

Haar zwijgen doet me meer zeer dan de werkelijke pijn, al weet ik niet meer waar die vandaan komt. Ik denk aan vroegere steegjes waar ik op haar leeftijd doorheen fietste met jongens die ook op zondagmiddag naar de plaatselijke hangdisco gingen, op klaarlichte dag met mountainbikes en trainingsjasjes op lage jeans, nauwelijks fietsend, maar eeuwig draaiend met hun wielen van links naar rechts, door kleine steegjes en op trottoirs, staand, zittend, lui fietsend. Jongens waarmee je nooit zou gaan zoenen, laat staan vrijen, maar ze waren nodig, voor het evenwicht. Een soort voorgerecht op het hoofdgerecht. Omdat je anders teveel honger zou krijgen. Ik was voor Zelda een voorgerecht op zondagmiddag.

 

Ze ligt op mijn bank en zegt dat ze te moe is om naar huis te gaan, ze zegt het wel drie keer, op verschillende momenten. Haar benen liggen stijf tegen elkaar aan geperst, en ze kijkt naar me alsof ik haar moet verlossen van die eeuwige kramp. Ik ga naast haar op de grond zitten en maak de rits van haar broek open en trek de knellende broek een stukje omlaag. Ze draagt een grauw gewassen stippeltjes onderbroek. Ik buig me over haar en zoek met mijn tong haar clitoris, geef er tikjes tegen, sneller. Ik heb geen idee of het goed is, ik deed het nooit zelf, maar copieer de mannen die het eerder bij me deden. Ze schokt een beetje met haar magere benen, haar gezicht is zwijgzaam en vol verwijt.  ‘Je bent een viezerik’ schreeuwt ze ineens hard, en trekt haar broek dicht. Ze blijft stijf naast me liggen. ‘Dat ben ik niet’,  schreeuw ik. ‘Je bent een oude viezerik.’ ‘Ik ben niet oud! ‘ Ze gaat zitten en zoent me huilend, aan mijn haar trekkend, op mijn lippen bijtend, haar nagels in mijn rug, ze gaat op me liggen, haar puntige botten voel ik door de spijkerbroek heen op mijn jurk leunend, stekend, dwingend, vragend. Met haar vingers gaat ze onder mijn jurk en knijpt mijn schaamlippen tegen elkaar alsof het een tupperwaredoosje is. ‘Au!’ Ik duw met mijn hand tussen haar benen, daar waar ik de clitoris vermoed, voel onder haar grijze T-shirt, een zacht heuveltje, dan laat ik los, sta op en ga aan tafel zitten.

Buiten is het al bijna donker en ik hoor vogels nog fluiten, haar fiets hangt tegen het raam. ‘Ik wil niet weg’ zegt ze.

‘Je moet.’

‘Ik verveel me daarbuiten, ik hoor daar niet.’

‘Dat hoort erbij’, zeg ik.  ‘Borsten groeien nooit tegelijk.’

Reacties
Niet elke dag is de lucht vol zwarte vlinders
Het perron is nat
De volle roltrap naar boven
En ik ken er niemand en iedereen is hetzelfde
Behalve het meisje naast me met de sproetjes en primordiale dwerggroei,
net als iep
We zijn even vriendinnen
Alleen weet zij dat niet

Reacties (1)
Ik heb een wesp gedood.
Hij cirkelde al dagen door het huis, schrok van het felle licht van de lamp, vloog met een boog om me heen, hij deed niets.
Op een laf moment vermoordde ik hem. Op de wc, met het oude plaspotje van dochter. Onder het mom van: gevaarlijk voor haar.
Hij deed niet eens zijn best om weg te vliegen. Me aanvallen leek helemaal niet in hem op te komen. Eerst verstopte hij zich nog even onder de drempel bij de deur, maar al gauw gaf hij zich gewonnen.
Er kwam wat bloed uit zijn lijfje toen ik hem platduwde tussen het wcpotje en de muur. Wellicht had hij al iemand geprikt en had spijt, heel veel spijt.
Lees meer...   (1 reactie)
Het is zo'n dag waarop iedereen lijkt te zuchten.
Een vrouw achter me in de kassarij lijkt er zoveel last van te hebben dat ze haar boodschappen voor die van mij op de loopband zet.
Als ik uiteindelijk bij de kassa beland zucht de kassiere zo hard- wanneer ik vraag extra geld te pinnen- dat het lijkt of ze het uit eigen zak moet betalen.
Voor iedereen die vandaag zin heeft om tegen mij aan te zuchten: dit liedje.
En nog een fijne dag.


Lees meer...   (3 reacties)
Laatste tweets
Categorieën
Wat er was
Vraag?
Naam
E-mailadres
Opmerkingen
Dit is een verplicht veld
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl - Design by Ontwerpmijndomein.nl