kijk ook op pluusje.com
Borsten groeien nooit tegelijk

Borsten groeien nooit tegelijk

 

De liefde is over en ik lees als verse vrijgezelle vrouw een oud boek aan een kleine tafel, goed voor 1 persoon.

De bediening heeft twee grote puisten op de kin; 1 al uitgeknepen, 1 nog geel. Zwart geverfde korte haren, plat tegen het hoofd gekamd, zodat er geen krul te zien was, maar boven haar oren sprongen ze toch omhoog, als narcissen in de winter. Ze droeg een grijs T-shirt en dito schort en ik heb echt geen idee of het een meisje of jongen is, wel dat hij of zij heel aardig is, stil, dienstbaar, zacht, lief en alles wat je maar kunt zijn om niet te moeten worden gekwetst.

De bediende zet een bord tomatensoep voor me maar vergeet de lepel, loopt de trap af naar de volgende klanten in de benedenzaal, ‘meneer’ roep ik snel. Het woord is te oud voor wat het is, maar het contact kort, dus het zal me niet kwalijk genomen worden. De bediende draait zich om, onzijdig, een leeg gezicht, zonder tranen, maar stil verdriet, en ik zeg: uh, sorry,… mevrouw?’ Nog steeds hetzelfde lege bleke gezicht dat bijna zonder te ademen, zonder te leven, naast me staat, als een bleke bloem. En ik kijk en kijk, maar ik kan het nog steeds niet zien, raak ervan in paniek, ‘sorrie, ik weet het niet’. Ik zwijg en de bediende zwijgt, nauwelijks 18 jaar, zeker 20 jaar jonger dan ik, maar ik weet dat ik verliefd kan worden op hem of haar. Al was het maar om hem of haar te troosten. ‘Ik wil graag een lepel.’ En ik probeer te glimlachen op mijn meest kwetsbare manier, hulpeloos, onzin, maar alles maakt het erger, want ze loopt snel weg, verdwijnt en een collega brengt glimlachend de lepel. Ik weet ineens dat het een meisje is.

Later als de soep op is en mijn boek verveelt, komt ze naast me staan, iets te dichtbij, om de bestelling van mijn buurvrouw op te nemen. Ze vergaf me. En ik wil haar liefkozen, haar hele kleine borsten strelen, uren naar haar kijken terwijl ze slaapt. Ik ben verliefd. Maar vergeet het na een uur alweer als ik naar huis fiets en me mee laat slepen door andere muziek.

Een week later ben ik in hetzelfde café. Ze herkent me zie ik, zij ziet me eerder dan ik haar en ze glimlacht. Zoals geliefdes in spé naar elkaar glimlachen, onrustig, maar opgelucht dat het leven doorgaat, dat de draad werd opgepakt, ook al was het gat in de naald klein geweest. Er staat nog een hele doos met naalden, een container, en die donderen we over elkaar heen om daar de draden in te kunnen proppen.

Ik bestel een thee en ze brengt die op een grijs rond dienblad, ze heeft weer twee puisten, maar op andere plekken.

 

Glimlachen, begrijpen, telefoonnummers, een sms, samen naar een ander café, adres, ze komt bij me thuis voor thee.

 

Op de bank. We vertellen elkaar beleefd over lagere school tot middelbare school, favoriete eten, ergenissen en dan onze angsten, de een nog kleiner dan de ander. Het zijn er veel, bergen met verschillende stukken modder van dezelfde soort, maar net weer anders, en net op een andere manier bekeken. Alles in grijs, lange lampen die even op de goede plek staan, maar waarvan de lichten wegsmelten, ‘ik zou een worm willen zijn’,  zegt ze: waar bijna iedereen een beetje bang van is, in ieder geval vies van is.’ 

Ik ben niet vies van haar. Het liefste zou ik haar nog meer puistjes geven en haar handen nog meer laten plakken, zodat ze bij mij blijft.

We praten en praten. Ook de volgende keren, we herhalen de angsten, hoe gaat het met je angsten?, beter, en die van jou?, ook soms, ja die van mij ook soms. En we blazen lucht in de berg met hele kleine rietjes en we drinken liters thee uit hele kleine kopjes en aangekoekte suiker. En we praten over lelijke landen met veel oorlog waar mannen gemarteld worden en vrouwen verkracht, over slechte adem, vieze kazen, poezen op internet, alles is nieuws, elke keer als we elkaar zien hebben we nieuws, en we sluiten af met het bespreken van dezelfde angsten.

Hoe meer we praten, hoe vaker we elkaar zien, hoe meer pijn ik in mijn buik krijg en zij ook. Maar we zeggen niets tegen elkaar, we praten verder.

En het doet pijn, ik buig me van de pijn en zij heeft ook pijn, ze knijpt hard in de rand van de tafel, zo pijn doet het, we kijken elkaar niet aan, maar praten door over nieuws en lekker eten en zijn in onze eigen pijnlijke wereld. De stoelen vormen onze pijn, de vormen van de stoelen zijn onze pijn, de naden in het hout, de imperfectie, de tekortkomingen. Ik zou willen dat ze schreeuwde dat ze pijn had, maar ze piept zachtjes, daar kan ik niet tegen op, tegen zo’n zachte piep. Deze ingehouden schreeuw is nog erger dan wanneer ze zou schelden over iets wat me niet aangaat en verveelt.

Haar zwijgen doet me meer zeer dan de werkelijke pijn, al weet ik niet meer waar die vandaan komt. Ik denk aan vroegere steegjes waar ik op haar leeftijd doorheen fietste met jongens die ook op zondagmiddag naar de plaatselijke hangdisco gingen, op klaarlichte dag met mountainbikes en trainingsjasjes op lage jeans, nauwelijks fietsend, maar eeuwig draaiend met hun wielen van links naar rechts, door kleine steegjes en op trottoirs, staand, zittend, lui fietsend. Jongens waarmee je nooit zou gaan zoenen, laat staan vrijen, maar ze waren nodig, voor het evenwicht. Een soort voorgerecht op het hoofdgerecht. Omdat je anders teveel honger zou krijgen. Ik was voor Zelda een voorgerecht op zondagmiddag.

 

Ze ligt op mijn bank en zegt dat ze te moe is om naar huis te gaan, ze zegt het wel drie keer, op verschillende momenten. Haar benen liggen stijf tegen elkaar aan geperst, en ze kijkt naar me alsof ik haar moet verlossen van die eeuwige kramp. Ik ga naast haar op de grond zitten en maak de rits van haar broek open en trek de knellende broek een stukje omlaag. Ze draagt een grauw gewassen stippeltjes onderbroek. Ik buig me over haar en zoek met mijn tong haar clitoris, geef er tikjes tegen, sneller. Ik heb geen idee of het goed is, ik deed het nooit zelf, maar copieer de mannen die het eerder bij me deden. Ze schokt een beetje met haar magere benen, haar gezicht is zwijgzaam en vol verwijt.  ‘Je bent een viezerik’ schreeuwt ze ineens hard, en trekt haar broek dicht. Ze blijft stijf naast me liggen. ‘Dat ben ik niet’,  schreeuw ik. ‘Je bent een oude viezerik.’ ‘Ik ben niet oud! ‘ Ze gaat zitten en zoent me huilend, aan mijn haar trekkend, op mijn lippen bijtend, haar nagels in mijn rug, ze gaat op me liggen, haar puntige botten voel ik door de spijkerbroek heen op mijn jurk leunend, stekend, dwingend, vragend. Met haar vingers gaat ze onder mijn jurk en knijpt mijn schaamlippen tegen elkaar alsof het een tupperwaredoosje is. ‘Au!’ Ik duw met mijn hand tussen haar benen, daar waar ik de clitoris vermoed, voel onder haar grijze T-shirt, een zacht heuveltje, dan laat ik los, sta op en ga aan tafel zitten.

Buiten is het al bijna donker en ik hoor vogels nog fluiten, haar fiets hangt tegen het raam. ‘Ik wil niet weg’ zegt ze.

‘Je moet.’

‘Ik verveel me daarbuiten, ik hoor daar niet.’

‘Dat hoort erbij’, zeg ik.  ‘Borsten groeien nooit tegelijk.’

Reacties

Commentaar
Jouw naam/bijnaam
Website url
E-mail
Je Punt profiel
Hou mij op de hoogte
Ik wil op de hoogte gehouden worden
Dit is een verplicht veld
Laatste tweets
Categorieën
Wat er was
Vraag?
Naam
E-mailadres
Opmerkingen
Dit is een verplicht veld
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl - Design by Ontwerpmijndomein.nl